Het Kaspisch paard

Het Kaspisch paard is een oud klein paardenras, opnieuw ontdekt in 1965 door Louise Firouz, aan de zuidelijke kusten van de Kaspische Zee. Kleine aantallen, halfwilde Kaspische paarden vindt men nog steeds op de rijstvelden, katoenvelden en wouden van de afgelegen Elburz bergen. Bewijs dat een Kaspisch type paard reeds 3000 jaar voor Christus bestond, kan worden gevonden in oeroude geschriften en kunstwerken. Een terracotta plakette uit het 2e millenium van Mesopotamië , dat een klein paard laat zien bereden met behulp van een neusring, kan men zien in het Britse Museum. De koningen Ardashir (Anno Domini 224) en Shapur (AD260) werden in steen afgebeeld met kleine paarden, die niet hoger waren dan taillehoogte. Paarden van het Kaspische ras werden als geschenk aangeboden aan koning Darius de Grote (586-522 voor Christus). Deze paarden werden afgebeeld op het enorme stenen reliëf op de zijkanten van de trap in het paleis te Persopolis, en op zijn drietalige koninklijke zegel.

Louise Firouz

Nadat Louise de eerste Kaspische paarden in de bergen van Iran had ontdekt, volgden er meerdere expedities waar ze nog zo'n 30 Kaspische paarden vonden. Louise, afgestudeerd aan de Cornell University (USA) begon aan een uitgebreid onderzoek betreffende Kaspische paarden. De beenstructuur van het Kaspische paard is die van een paard en niet van een pony. Ze hebben fijne maar oersterke benen en smalle, harde hoeven. De schedel is anders dan bij andere paarden, de Arabier uitgezonderd. Het Kaspische paard heeft zeer ruime gangen. Hij heeft een goede galop en een zeer snelle rengalop. Het paardje kan zeer goed springen. In Groot Brittanië zijn er veel jeugdige ruiters die goede resultaten behalen met hun Kaspische paardje. Het paard is slank gebouwd, heeft een eerlijk karakter en wil graag werken